Buchenwald 
Weimar vertegenwoordigt het menselijk contrast. Het ademt cultuur: Bach, Lizst, Goethe, Schiller. Weimar is echter ook één van de Duitse steden met de twijfelachtige reputatie dat er in de Tweede Wereldoorlog een concentratiekamp was gevestigd. Je vindt er tegelijk het symbool van menselijke destructie. Op de eerste dag van onze verblijf in Weimar zijn we door de stad naar het noorden de bossen ingereden, de Ettersberg op. Buchenwald stond aangegeven op 8 km van de stad. De weg ernaartoe door de bossen was comfortabel breed. We zien langs de weg het opschrift Blutstrasse. Gevangenen hebben hem aangelegd in het woud en daarbij zijn duizenden omgekomen. De omgeving is niet bewoond en het leek of we een geisoleerd gebied inreden. Rechts zagen we na een aantal kilometers resten van een spoorlijn. Bij het kamp aangekomen was het gezellig druk op de parkeerplaats. De verblijven van de SS manschappen buiten het kamp werden opgeknapt en de al gerestaureerde panden leken bezet met kantoren of huizen. Te voet op weg naar de poort. Het is echt warm en we snijden een stukje af. Het poortgebouw is netjes gerestaureerd.  
 
Als we onder de poort doorlopen valt de cynische tekst “Jedem das Seine” op in het hekwerk. Bonhoeffer moet het zijn opgevallen en hij zal er zeker over nagedacht hebben. Uit misnoegen maak ik geen foto. Hoe bestaat het, om zoiets te quoten. Mijn klassieke opleiding is toch te weinig blijven hangen, want later ontdek ik pas dat Cicero in zijn de Legibus heeft geschreven ‘Justitia suum cuique distribuit’, wat zoveel betekent als ‘Justitie geeft ieder wat hem toebehoort’. Ik heb de foto nu toch, gedownload vanaf internet.  
 
Op de kampplaats is het leeg. De oude barakken zijn verdwenen. De grondlijnen waar ze gestaan hebben zijn gemarkeerd met steenvlakken. De appèlplaats ligt vooraan. Je kunt nog precies zien waar de secties zich moesten opstellen, één keer 19 uur lang, want er waren 3 personen. Hier zijn tientallen mensen in elkaar gezakt en voor dood weggesleept. Tussen de hoofdpoort en de linker hoekwachttoren is het hek met prikkeldraad in oorspronkelijke staat gebracht. Het hek wordt vrijgehouden door rijen prikkeldraad ervoor. De grote glazen of porceleine spacers op het hek lijken een fors voltage aan te kunnen. Ontsnappen lijkt onbegonnen werk.  
 
Een eind verderop naar de andere kant staat een gebouwtje met een puntdak en een schoorsteen ernaast. De achterkant huisvest de wasplaats en de latrines. Als je omloopt kom je in het crematorium. De lijkenschouwer heeft er een aparte wit betegelde werkplaats. Hygienisch zo te zien. Hier werden de effecten van gruwelijke medische experimenten bekeken. De bovenruimte is vrij donker. Er staan zes stenen ovens op een rij met stalen deuren ervoor. De stenen binnenconstructie van de ovens laat zware slijtage zien. Vaak gebruikt dus. Ik heb geen zin om hier een foto te maken. Een stalen slee staat voor één van de ovens. De functie ervan laat zich raden. In de hoek van de ruimte komt een goederenlift uit, die eruit ziet als een grote stalen bak. Hij komt van de ruimte eronder.  
 
 
 
Via de buitenkant kun je met een trap in de onderste, rechthoekige kelder komen. De ruimte is leeg en de lift bevindt zich tegen de verste muur. In de langsmuren op iets meer dan mensenhoogte zijn tientallen dikke haken gemetseld. In de ene kopse muur zit een glijbaan die boven bij een buitenluik begint en beneden uitkomt vlak boven de vloer van de kelder. Dit is de lijkenkelder. De stoffelijke overschotten worden vanaf de binnenplaats de kelder ingeschoven. Mensen die wellicht nog niet overleden zijn worden aan de haken in de muur gewurgd. De naakte lichamen gaan via de lift naar boven. De doodssfeer hangt hier nog. Wie hebben hier ooit gewerkt? SS-ers die alles in het werk stelden om hun slachtoffers als ontmenselijkte nummers te behandelen, om zo niet persoonlijk geconfronteerd te hoeven worden met hun lijden. Duivelse lieden, waarvan zelfs de baas (Koch) door zijn corruptie uiteindelijk door de Nazi’s zelf is ge-executeerd. Mensenschepsels die symbool zijn geworden van alles wat zich tegen het Leven afzet.  
De tentoonstelling in het voormalige kledingmagazijn/ bewaardepot laat heel het kampleven tot in detail in beeld passeren. Aan het eind zijn we murw, emotioneel geraakt, maar we hebben eigenlijk niets echt geproefd: het sarcasme, de ontmenselijking, de pijn, de honger, de doodsangst. Kan dit nog worden rechtgezet? Eén heeft dit voor ieder slachtoffer afzonderlijk wel helemaal doorleeft en Hij is er toch niet aan onderdoor gegaan. Hij nam van ieder het hunne: de ellende, de tekortkomingen, de schulden, het lijden. Hij deed dat om te kunnen geven van wat van Hem is: onbekommerd, nooit aftakelend leven. Naar menselijke maat is dat misschien geen justice, maar naar Goddelijk beginsel wordt ‘Jedem das Seine’ definitief recht gezet.  
 
In Weimar is het op een gevel geschreven, maar het is in vraagvorm. Jules Renard verwachtte geen antwoord te krijgen. Na Buchenwald is er ongetwijfeld nog minder fiducie dat het Leven bestaat, laat staan dat het zich laat vinden. Het Leven zou dit soort dood en verderf toch niet hebben toegelaten? De feiten wijzen anders uit. Het Leven heeft zich juist aan ons laten zien op aarde. Het was om niet te krijgen. Maar wij konden het niet verdragen en hebben fanatiek geprobeerd om het te vernietigen. Het leek er nog even op dat het gelukt was ook. En sinds die tijd is er wel ergens in de wereld een mensengeneratie bezig op brute wijze het leven te ontwrichten. Toch realiseert Jules het zich: "het Leven is aantrekkelijk, het biedt leven, want het kan niet dood. Dus hem wil ik wel ontmoeten." Jules, je hebt meer gelijk dan je vermoedde. Het Leven leeft en het Leven was er bij in Buchenwald en in die andere verschrikkelijke oorden. Het Leven vangt de echte klappen op en voor wij Hem iets verwijten kunnen we ons misschien beter afvragen waar die menselijke vernietigingsdrang eigenlijk vandaan komt. Niet van het Leven zelf, dat is zeker.